Beachvolleybal

Beachvolleybal ontwikkelde zich in het begin van de twintigste eeuw in de Verenigde Staten. In de loop van de eeuw werd de sport steeds professioneler en verloor het zijn imago als puur vrijetijdsbesteding. In 1996 stond beachvolleybal voor het eerst op het programma van de Olympische Spelen en een jaar later werden de eerste wereldkampioenschappen gehouden. Tegenwoordig wordt professioneel beachvolleybal – net als zaalvolleybal – op mondiaal niveau georganiseerd door de FIVB en op continentaal en nationaal niveau door continentale en nationale volleybalbonden. Naast de Olympische Spelen, de wereldkampioenschappen en de continentale kampioenschappen is de FIVB World Tour de belangrijkste internationale competitie.

Beachvolleybal wordt gespeeld op een ondergrond van zand, vaak op het strand. Voor grote internationale en nationale toernooien wordt vaak een tijdelijk beachvolleybalstadion gebouwd op bijvoorbeeld een plein in een stad. Het belangrijkste verschil met zaalvolleybal is dat een team maar twee spelers kent. Er wordt soms ook in teams van drie of vier spelers gespeeld, vooral op lager niveau is dit een veel gespeelde vorm.
Belangrijke afwijkende spelregels ten opzichte van zaalvolleybal zijn:
Er zijn geen vaste posities voor spelers in het veld
De bal is zwaarder en zachter.
Het veld meet 8 bij 16 meter.
Er is geen middenlijn; er kan dus ook geen lijnfout worden gemaakt door het overschrijden van deze lijn, al mag de tegenstander niet gehinderd worden. Belijning wordt gemaakt door het spannen van linten; een bal is 'in' als de (afdruk van de) bal de lijn raakt.
Een blok geldt als een contact, hierna mag de bal nog maar 2 keer worden aangeraakt alvorens over het net gespeeld te worden. De bal mag na een blok door de blokkeerder nogmaals worden gespeeld. Dit wordt geteld als 2 contacten.
Het spel bestaat uit maximaal 3 sets, set 1 en 2 gaan tot en met 21 punten, set 3 gaat tot en met 15 punten. Alleen met 2 punten verschil kan de set gewonnen worden.
Na iedere zeven gespeelde punten wordt van speelhelft gewisseld om voordeel van zon of wind te voorkomen.

Technische regels:
Bij het bovenhands spelen van de bal hoeft er geen kort contact te zijn, wel moet de bal loodrecht op de schouderlijn worden gespeeld en mag dus niet zijdelings worden weggespeeld.
Na het bovenhands spelen mag de bal geen draaiende beweging vertonen, dat wil zeggen niet meer dan één volledige omwenteling maken. Als een bal naar de overzijde wordt gespeeld mag er geen zacht/lang contact zijn. Dit wordt ook wel hard contact genoemd. Vormen hiervan zijn een (harde) aanval, onderhandse techniek of knokkel. Eigenlijk alle varianten waar niet met de vingers sturing aan de bal kan worden gegeven. Voor een bal die opgevangen wordt vanaf de overzijde geldt vrijwel hetzelfde; hard contact of een perfecte bovenhandse techniek (richting van de bal loodrecht vanaf de schouderlijn.)
Op lager niveau worden meer de technische regels van het zaalvolleybal gevolgd.